Conny Janssen interview door Annemieke Figee

In 2012 keek ik naar de jubileumvoorstelling LIFE-LIVE!, van Conny Janssen Danst. Voordat de voorstelling begon, kreeg ik een brochure in mijn handen gestopt waarin verschillende mensen uit haar team beschreven hoe ze het werken met Conny hebben ervaren. Het zijn stuk voor stuk inspirerende verhalen waarin duidelijk naar voren komt wat Conny’s talenten als choreograaf en leider zijn.

Conny Janssen

(foto: Carsten Lumière Sasse)

Om twee redenen inspireerden deze teksten mij. Ik hou van dans en de teksten beloofden een mooie voorstelling. Daarnaast ben ik psycholoog en begeleid ik teams in verschillende organisaties om effectiever met elkaar samen te werken. Deze teksten suggereerden een vorm van teamwork dat zich wel moest vertalen in een overtuigend resultaat op het podium. Ik wilde weten hoe Conny werkt met haar team en wat ze daarin geleerd heeft gedurende de twintig jaar waarin ze als choreograaf werkt.

Op 13 februari 2012 loop ik een pand binnen dat doet denken aan een scène uit Fame. Een grote statige hal met afgebladderde muren als entree. Boven word ik hartelijk verwelkomd door Conny Janssen en een aantal van haar teamleden. Ik voel me direct thuis en kan na een korte introductie mijn belangrijkste vraag stellen.

Wat is jouw missie als choreograaf?

“Ik wil jong en oud in contact brengen met kunst omdat ik geloof dat kunst waarde aan het leven toevoegt. Dat doe ik door mensen in aanraking te brengen met moderne dans. Ik wil de dans in zijn volle rijkdom en kwaliteit laten zien. Ik haal daarvoor het maximale uit de mensen met wie ik werk.”

Meer Ruis Foto Leo van Velzen

En waarin onderscheid jij je specifiek van andere choreografen?

“Mijn visie is dat het de schoonheid voorbij moet gaan. En het moet over mensen gaan. Het moet niet gaan over kostuums en poppetjes maar over personages die echt iets te vertellen hebben en samen één wereld vormen. Mijn voorstellingen gaan altijd over menselijke relaties. De mens als sociaal dier in de context van zijn omgeving.”

Hoe vertaalt zich dat in hoe jij werkt met je team?

“Mijn dansers moeten de wereld vertegenwoordigen. Ze moeten verschillend zijn en toch naar iets gemeenschappelijks streven. Ik wil geen tien Conny’s, geen kopieën. Mensen moeten iets toe kunnen voegen aan mij en elkaar. Ik ben geen conceptuele maker. Ik weet waar ik naartoe wil, daarin zit veel voorbereiding, maar ik schrijf geen details uit. Dan heb ik alles al beleefd. De voorstelling wordt gemaakt in de studio, in interactie met de dansers en met de rest van het (artistieke) team.”

Je werkt met een vaste kern van dansers waaraan je steeds nieuwe mensen toevoegt. Wat vraagt dat van je team?

“Ik werk al een jaar of zes met een aantal dansers samen. Iedere voorstelling kiezen we bewust opnieuw voor elkaar. Ik vind het belangrijk om steeds nieuwe mensen toe te voegen en de groep te laten verkleuren omdat na verloop van tijd de verhoudingen in een groep zijn uitgekristalliseerd. Dan wordt het verstikkend.”

Dus je zoekt steeds bewust spanning op?

“Al breng je maar één iemand de groep binnen, alle verhoudingen gaan schuiven. In dat schuiven zit voor mij terrein om te zoeken, te veranderen, nieuwe opdrachten te geven, mensen te zien verkleuren. Ik vind het belangrijk om die mentale beweging erin te houden.”

Meer Ruis Foto Leo van Velzen

Je gebruikt die spanning om mensen van een andere kant te kunnen bekijken en inzetten?

“Ja, en ook voor mezelf, om weer even verrast te worden. Als ik al zes jaar met iemand werk dan heb ik veel van die persoon gezien. Er moet dan weer een verse vonk komen. Doordat ik nieuwe kanten te zien krijg, geeft die ander mij nieuwe informatie waardoor mijn ogen anders gaan kijken naar dat wat bekend is. Op die manier probeer ik continu zuurstof te krijgen. Een andere manier om dat te doen is om voorstellingen te maken voor totaal verschillende situaties: voor het theatercircuit (zoals LIFE-LIVE!), of voor een locatievoorstelling, waardoor je in de ruimte staat en denkt ‘mijn gunst hoe moet je hier een voorstelling maken, hoe ga je hier met lichamen en muziek om’. Hierdoor creëer je zo’n ander kader, dat alles weer opnieuw uitgezocht moet worden. Of voor een festival of voor een heel klein podium of nu met jonge dansers die nog op school zitten en daardoor mentaal in een heel ander proces zitten.”

Dus je zoekt spanning niet alleen in de mensen, maar ook in de context waarin ze moeten opereren?

“Ja, ik zoek steeds naar andere prikkels om het creatieve proces op gang te brengen. Ook in de muziek. We werken veel met live muziek. En dan vind ik het ook het meest interessant dat de muziek voor de voorstelling gecreëerd wordt en om met iemand te werken die nog nooit iets in de danswereld gedaan heeft. Dan ontstaat er iets nieuws.”

Veel mensen krijgen bij jou kennelijk de kans om iets te doen dat ze nog nooit gedaan hebben. Jij laat mensen kennis maken met gebieden die ze nog niet verkend hebben.

“Ja, want die dans ben ik al, samen met de dansers. Als ik ontwerpers uit de danswereld ga zoeken dan denk ik ‘wat voegen die nog toe?’. Ik zit zelf al dertig jaar in die danswereld. Ik moet juist voeding en zuurstof krijgen van buiten de danswereld, omdat dat deuren opengooit. Het verruimt je blik. Ik wil niet in een tunnel komen. Dat mensen denken ‘oh ja, dat is het werk van Conny’. Het moet altijd iets onverwachts blijven houden.”

Dat vraagt dus ook van al die mensen waarmee jij werkt om open te staan voor al die nieuwe invloeden…

“Ja, dat is ook heel spannend en dat geeft soms echt cadeautjes. Ik weet nog wel dat ik Anne Soldaat (gitarist) heb gevraagd voor mijn voorstelling Zout. Dat is een van Nederland’s beste gitaristen. Hij had nog nooit een moderne dansvoorstelling gezien. Ik vond het juist heel spannend dat die relatie er niet was. Ik hoorde wel aan zijn muziek dat het iemand is die heel veel kleuren in zich draagt. In een gesprek merkte ik dat hij heel open en zoekend is. Ik zat niet met een ego te praten. Ik vind het belangrijk dat mensen passie hebben voor hun vak, dat ze kunnen improviseren en dat ze meerdere kanten in zich dragen.”

Anne Soldaat Foto Leo van Velzen.

Hoe kijk je daarnaar bij leden uit jouw team?

“Precies hetzelfde. Ik zoek naar openheid en nieuwsgierigheid. Als een danser tegen mij zegt ‘Conny, ik ga niet op een betonnen vloer dansen’, dat mag, maar dan pas je niet bij ons gezelschap. Wij staan er inmiddels ook om bekend, dus mensen komen naar ons toe omdat ze dat avontuur juist interessant vinden. Omdat ze zien dat er dingen gebeuren die eigenlijk heel bijzonder zijn. En dat ze andere talenten kunnen ontwikkelen. Ik vraag dat ook van onze mensen op kantoor.”

Dat is dus heel duidelijk jullie code met elkaar.

“Ja! Open en nieuwsgierige mensen die buiten de ‘box’ durven te denken. En gepassioneerd. Niet tevreden zijn met 50%.”

Ooit was de code voor jou en je gezelschap niet zo uitgekristalliseerd. Ooit was die visie niet zo scherp en was het waarschijnlijk meer zoeken. Wat heb je zelf van eventuele blunders geleerd?

“Ja, ik kan mijn gedachten en ideeën nu beter onder woorden brengen, maar het blijft iedere keer knokken en een worsteling. Dat geeft niet, dat hoort erbij. Ik kan er nog steeds naast zitten en mensen anders inschatten dan ze uiteindelijk blijken te zijn. Of ik kom niet daar waar ik wilde komen. In die zin is het iedere keer incasseren, opstaan en weer doorgaan.”

In dat proces zullen ook wel eens conflicten ontstaan…

“Ja, nou ben ik niet zo goed in conflicten (lacht)…”

Maar het zal een inherent onderdeel van zo’n proces zijn.

“Ja, zeker. Je zit dicht op elkaars huid, mensen worden moe, er ontstaat wrijving. Tussen de dansers ontstaan vaak fricties. Soms laat ik het ze zelf oplossen en als het niet lukt, ondersteun ik erbij. Soms laat ik het ze ook later pas oplossen en doe ik een appèl op ze om zich nu op het werk te richten. Als ik een duet maak met twee dansers die een conflict hebben dan vertaalt zich dat in het creatieve proces. Ik voel dat er iets in de weg zit. Dat kunnen we niet hebben. Ik gun mezelf niet de tijd om in de studio een half uur te gaan zitten praten. Ik doe het wel na 18.00 uur. Dan maken we er tijd voor. Conflict over de inhoud hoort erbij. Dat is een noodzakelijk onderdeel van het proces.”

Heb je een wijsheid die je in de loop der jaren opgedaan hebt in het werken met groepen?

“Er zijn er duizenden…” (Denkt dan lang na.) “Vaak wordt er gezegd ‘het kan niet’. We hebben de slogan ‘use the problem’. Er is geen ruimte voor ‘dat kan niet, dus dan doen we het maar niet’. Staat er een paal in de weg, dan gebruiken we die. Laten we het eerst proberen en wie weet is de oplossing die we vinden nog tien keer interessanter dan wanneer het allemaal geweest was zoals we het het liefst hadden gehad. Het is ook een beetje een overlevingsstrategie geweest. Dat we tegen de marges van dingen in aan het vechten waren om te overleven. Maar uiteindelijk wordt het ook je kracht.”

Ja, des te sterker als het als overlevingsstrategie is begonnen, want dan hoort ie helemaal bij je. Dan kun je bijna niet anders…

“Ja, het is een soort DNA.”

De voorstelling die ik gezien heb, daar was een geblesseerde dame…

“Ja, dan sta je op 100%: dan is ook iedereen op elkaar gespitst en heel scherp in het oplossen van het probleem. Dat is fijn. Dan zie je de draagkracht en de verantwoordelijkheid en het teamwork. Er staan geen zes dansers in de coulissen om het over te nemen dus we moeten het ook samen oplossen. De dansers zijn zich bewust van de schakel die ze zijn in het proces. Daar doen ze ook echt veel voor. Als een danser zegt ‘het gaat niet’ dan weet ik dat het zo is. Daar hoef ik geen tweede vraag over te stellen. En dan gaan we een oplossing zoeken. Dat zijn rijke constateringen.”

Je bent nu bezig met Meer Ruis, een voorstelling met jonge, onervaren dansstudenten in hun laatste jaar van de opleiding. Hoe breng je bij hen dat groepsproces op gang?

“Door ze bewust te maken dat ze met passen maken nog geen performers zijn. En wat het betekent om een uur lang zichtbaar te zijn voor het publiek.”

Is dat ook door dingen met ze te doen en ze te observeren en daarin een spiegel voor te houden?

“Ja, dat is een proces, want je weet gewoon dat al die nieuwe informatie de eerste twee, drie weken nog niet landt, want ze hebben nog geen referentiekader om dat te plaatsen. Maar, door blijven gaan en die spiegel voorhouden en langzaam zie je dan dat dingen wakker worden. Ik benoem ook waar ik hun kracht en talenten zie.”

Laat je ze dat ook naar elkaar (toe) benoemen?

“Ja, ik nodig ze uit om te reageren, soms provoceer ik om ze los te maken. Ik kan bijvoorbeeld zeggen ‘nou, ik vond het helemaal niks, waarom denken jullie dat ik het niet goed vond?’. Dan probeer ik ze daarover na te laten denken en leg mijn eigen visie ernaast. Vaak gaat het dan om geloofwaardigheid. Ik zeg bijvoorbeeld ‘je kijkt je collega dansers niet eens aan. Je zit naar het publiek te kijken. En dan moet ik denken dat jij iets met die ander heb. Dat is toch totaal ongeloofwaardig?’.”

Hoe stimuleer jij dat mensen daarin open feedback naar elkaar geven? Mijn ervaring is dat dat meestal niet vanzelf gaat…

“Ja, ik weet niet of ik het op de goede manier doe… Ik confronteer ze de hele tijd. Ik ben heel streng bij ze. Ik zeg ‘nee, dat is niet genoeg’. Ik lok ze uit de tent en nodig ze uit om te vallen, uit te glijden en weer op te staan. Nu kunnen ze dat in een veilige omgeving doen. Als ze professioneel danser willen worden, dan moeten ze wat slagen maken, anders gaan ze het niet redden. Ik laat ze ook naar elkaar kijken en ik laat ze vanuit die positie ervaren. Ik nodig ze uit om hun gevoel te uiten bij wat ze ervaren hebben. De verankering van die ervaring helpt ze als ze op het toneel staan.”

Krijg je zelf ook wel eens een spiegel (voorgehouden)?

“Ik ben zelf de spiegel doordat ik publiek ben. Ik dans niet mee want ik wil tussen het publiek kunnen zijn en kunnen ervaren wat er in de zaal gebeurt. Mijn dramaturg is mijn spiegel want die zit naast mij in het publiek. Zij reageert op wat ze ziet en stelt mij vragen. Dat is heel fijn want ik kan maar een deel delen met de dansers omdat ze op dat toneel met elkaar staan en het op een heel andere manier beleven. Je hebt mensen nodig waarmee je het inhoudelijke gesprek over die voorstelling kunt aangaan en dat doe ik onder andere met de ontwerpers buiten de dansersgroep. Dat verlaagt ook de eenzaamheid in de zin dat je in je eentje overal antwoorden op moet weten. Dat deel je dan met elkaar.”

Dus dat verwacht je ook niet van jezelf?

“Nee, ik ben heel blij dat zij mij daarin ondersteunen. Daar leer ik ook van.”

Is de groep van Meer Ruis dezelfde soort groep als bij de voorstelling Ruis?

“Nee, het zijn andere dansers, deze groep zit in het laatste jaar van de opleiding, de vorige groep zat in het tweede jaar. En eerlijk gezegd vond ik die groep interessanter. De mensen in de huidige groep zijn al veel meer met de buitenkant bezig en dat is nou juist wat ik niet wil. Zij dansen vanuit de buitenkant en ik wil dat je vanuit de binnenkant danst.”

RUIS

En dat was makkelijker aan te raken bij die andere groep?

“Ja, het was ook lastig om dat creatieve proces wakker te maken, maar daar zaten een paar mensen in die dat snapten en die werden al snel het voorbeeld voor de anderen. Deze mensen zijn al meer gevormd. Natuurlijk wil ik dat dingen er mooi uitzien, maar ik wil dat het van binnen naar buiten gebeurt. Dat heeft tijd nodig en dat gebeurt niet bij iedereen op hetzelfde moment. Bij deze groep merk ik dat het er op het ene moment met overtuiging uitkomt terwijl het op een volgend moment weer weg is. Dat is omdat ze het nog niet kunnen verankeren.”

Mooi om te horen wat een verschil het is tussen een groep die het al helemaal heeft uitgevonden door jarenlange samenwerking en een groep die daaraan nog moet beginnen…

“Ja, dat is ook een enorme spiegel voor jezelf omdat het resultaat niet vanzelf ontstaat en je weer moet stilstaan bij wat iets goed of niet goed maakt: wat is nou hetgeen dat je zo belangrijk vindt om waarachtig te maken op toneel? Met die jonge mensen moet je daar weer helemaal vanaf de bodem in beginnen. Ik heb naar hen toe ook een andere verantwoordelijkheid. Ik moet ze ook alles geven want nu moeten ze het leren. Ik vraag volledige inzet van iedereen waarmee ik werk. Ook al werk ik met amateurdansers: ze moeten het wel serieus nemen. Anders word ik boos.” (glimlacht)

Meer Ruis is te zien t/m 18 mei in theaters in Nederland en Zwitserland (klik voor info)

Dit interview is in 2012 afgenomen door Annemieke Figee. Foto’s zijn van Carsten Lumière Sasse en Leo van Velzen.

Over de interviewer
Annemieke Figee is psycholoog. Zij begeleidt organisaties bij cultuur verandering, door teams en managers te begeleiden bij het vertalen van de missie, visie en kernwaarden van de organisatie naar hun gedrag en samenwerking. Zij gelooft dat teams succesvol zijn als ze een cultuur weten te creëren waarin mensen zich kwetsbaar op kunnen stellen zonder kwetsbaar te zijn. Er moet ruimte zijn voor mensen om nieuwe dingen te durven uitproberen en om te durven falen. Meer informatie over Annemieke en haar bedrijf is te vinden op www.pirouette.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*