Interview Emio Greco, onderzoekend choreograaf

 

Danspubliek interviewde Emio Greco, choreograaf van ICKamsterdam, in april 2012. Een openhartig interview met de man die als ingenieur studeerde, variété danste en vernieuwend choreograaf werd.

Emio Greco, choreograaf

Aan de Nieuwezijds Voorburgwal bevindt zich in een kantorengebouw een moderne kantoorruimte met een mediatheek en een professionele staf. Het is het epicentrum van het ICK: het International Choreographic Arts Centre dat onder leiding staat van Emio Greco en Pieter C. Scholten. Loop je vijf minuten verder naar de parallel hieraan gelegen Oudezijds Voorburgwal dan is het geheel anders. In een buurt waar het zwermt van dames in betaalde liefde en een historische kerk kom je via een steegje bij de studio van het dansgezelschap van Greco en Scholten, Emio Greco | PC. Een bescheiden ruimte met schuine daken als op een zolder in Parijs, afgebladderde muren, balletvloer, een provisorische kleedruimte en een sfeervol vloerkleed met potkachel.

Het is in de studio broeierig warm, dansers zijn bezweet en de concentratie hangt op hun gezicht na. De repetitie voor een productie waarmee naar Bogota, Colombia gereisd wordt is net afgelopen. Choreograaf Emio Greco toont een brede, charmante glimlach en maakt ruimte aan tafel voor een gesprek. Aanleiding is zijn nieuwe werk Passione in Due. Emio zal uitleggen dat tegenstellingen als een kerk in een rosse buurt dingen zijn die gewoon naast elkaar bestaan, er is geen veroordeling of moraliteit, er is een individuele moraal en bovenal vrijheid.

De Mattheus Passie is in Nederland verworden tot een heilig monument an sich. Hoe wordt de muziek gebruikt in de dans?

‘De Passie van Bach was in 2008 al onderdeel van [purgatorio] met dezelfde componist en met volledig orkest in een stuk getiteld IN VISIONE. De dans vond plaats tussen twee groepen: het orkest op toneel, en het publiek. De muziek is nu teruggebracht tot alleen piano wat moeilijk is omdat de piano in de tijd van Bach nog niet bestond. Samen met Pieter en Franck Krawczyk hebben we de partituur aangepast en ingekort tot een uur. We volgen niet de chronologie van Bachs muziek maar de zeven delen en karakteristieken komen wel in de muziek terug. Je vindt Bach terug in de muziek en in de dans.’

De dans wordt uitgevoerd door jou?

‘Ja, het is ook een persoonlijk verhaal gebaseerd op de 7 noodzakelijkheden die Pieter en ik in 1996 hebben geschreven. Een statement dat eindigt met: het is noodzakelijk voor ons u te vertellen dat wij u verlaten en dat wij u ons standbeeld nalaten.’

Eerder gebruikte je La Divina Commedia als bron voor dans en nu de Matthäus Passion. Is er een religieus thema in je werk?

‘De gemeenschap in Brindisi (Italië) waar ik vandaan kom is weliswaar katholiek maar ik kom uit een atheïstisch gezin. Communisme was de religie waar ik mee opgroeide. Ik zie mijzelf als atheïst maar laat wel ruimte voor spiritualiteit. Iedereen kan uitgedaagd worden na te denken over oordeel, verlossing en hoop. Het zijn naar mijn idee sociale begrippen die deel uitmaken van onze samenleving. Ik houd niet van moraliseren – wel dat ieder mens een moraal heeft.’

Komt er in het stuk iets terug van het evangelie, de ‘passie’ of het lijden?

‘Het is allemaal gevat in het lichaam. Al het andere is afwezig, alles is al gezegd. De taal van het lichaam is anders dan gesproken taal. Wat bijvoorbeeld gezegd is in de Bijbel komt op een andere manier terug in de dans. Je wordt aangemoedigd om op een andere manier te kijken.’

Kies je werken als La Divina Commedia en de Matthäus Passion uit vanwege de artistieke waarde en bekendheid?

‘Ja, we willen graag in contact staan met grote gedachten. Dante en Bach waren zo verheven in hun artisticiteit dat het een zeker niveau van vrijheid bereikte. Het werk behoort daarmee iedereen toe. Bij Dante zie je bijvoorbeeld een intuïtief idee van revolutie en transformatie. Er wordt een beeld geschetst van een nieuwe samenleving of een nieuw stedelijk verband met bepalingen voor politiek en religie. Of kijk naar zijn uitwerking van een geografische ruimte van de hel, ook vernieuwend. De Matthäus Passion is voor mij vrij van religie vanwege de sublieme synthese van muziek en verhaal. Het is geestelijk in plaats van religieus. Bach was denk ik geen fundamentalist, hij was in staat te herscheppen. De Passie is bijna een abstract werk vermoedelijk omdat hij een wiskundig componist was. Het draait veel om getallen. Vandaar ook ons gebruik van de zeven noodzakelijkheden.’

Willen jij en Pieter met het International Choreographic Arts Centre niet ook nieuwe gebieden aftasten en herscheppen?

‘Dans is kennis. Ik ben van mening dat dans een cultuur is die goed moet worden begrepen om goed te worden gecommuniceerd. Pieter is eigenlijk theatermaker en heeft dansmakers bijgestaan op het gebied van dramaturgie. Hij was al lange tijd gefascineerd door dans. Vanuit het International Choreographic Arts Centre stimuleren en initiëren wij nu samen onderzoek naar dans in brede zin; naar bijvoorbeeld de relatie tussen dans en muziek, de relatie tussen dans en wetenschap en naar verschillende vormen van dansnotatie.’

Wat deed je op je achttiende voordat je begon met dans?

‘Ik volgde een vooropleiding om ingenieur te worden. Ik hield van geometrie: het ontdekken van oplossingen voor bepaalde ingewikkelde vraagstukken. Nieuwe dansstukken creëren; het aanmaken van een dansvocabulaire; het aan de dansers voorleggen en proberen de gedachte erachter uit te leggen, dat is voor mij ook een vorm van ontdekken. Ik kom er steeds meer achter dat veel is gebaseerd op een mathematische structuur van getallen. Onder de dans ligt een frame van ritme, en ritme is in feite een structuur van getallen. Dat is niet een abstract of kil iets. Ik vind het juist fenomenaal hoe Bach gebruik maakte van getallen en dat een structuur ervan leidt tot een emotie van beleven.’

Waarom koos je voor dans?

‘Ik wilde altijd al danser worden, vanaf dat ik zes jaar was. Ik geloof niet per se in toeval maar als je een sterke visie hebt kan dat ondersteund worden door gebeurtenissen. Bij mij was dat zo met dans. Enkele vriendinnen van mij gingen naar een populaire balletschool in Brindisi en die zeiden: kom ook! Brindisi is een provinciaalse stad dus er bestonden wel wat cliché opvattingen over dans. Ik wilde er vandaan en besefte dat het nu of nooit was om op mijn negentiende nog te gaan dansen. De school waar ik lessen nam was niet erg professioneel, ik zweette eigenlijk vooral. Ik hoorde van een hoog aangeschreven opleiding in Cannes, Zuid-Frankrijk, bij Rosella Hightower.’

Werd je zomaar aangenomen op deze hoog aangeschreven school?

‘Rosella liet me toe want ze kon dansers goed inschatten. Ik was geen toptalent, had geen extreem hoge benen, gestrekte voeten of soepele rug. Ik had wel een goed begrip van bewegen. Dat heb ik van mijzelf, maar ik leerde ook veel van Rosella. Zij liet zien dat techniek gaat om ritme. Een goede pirouette bijvoorbeeld voer je vooral uit op ritme. Je draait mee op de muziek en dan draai je veel beter dan alleen denkend aan de techniek.’

Hoe lang bleef je bij Rosella Hightower?

‘Na twee jaar moest ik wel werk gaan vinden, ik was inmiddels 23. Een moeilijke periode brak aan van maandenlang reizen waarbij ik de nachttrein nam, audities deed etc. Ik nam werk aan bij nachtclubs waar ik aan variété deed op tamelijk hoog niveau. Professionals van Folies Bergère, Moulin Rouge etc. deden aan de producties mee. We dansten en zongen, elke avond tot laat in de nacht. Kwam je om 4 uur ’s nachts thuis dan ging je dezelfde ochtend alweer naar balletles. Het was een leerzame ervaring en belangrijk voor mijn ontwikkeling als kunstenaar.’

Hoe geraakte je van daaruit in de danswereld?

‘Uiteindelijk ging ik terug naar de Côte d’Azur waar ik zes jaar danste bij het gezelschap van Patrick Tridon, een ex-danser van Béjart. Ik ging vervolgens naar Parijs en deed auditie voor Jan Fabre en kon aan de slag bij Troubleyn, zijn gezelschap in Antwerpen. In 1994 gingen we met Jan Fabre naar Amsterdam om een stuk te maken voor Het Nationale Ballet en Jan vroeg mij hem te assisteren met de dansers. Ik besloot na dit project in Amsterdam te blijven. Ik merkte dat ik zelf een dansmaker kon worden en er hing een goede sfeer in Amsterdam om rond te kijken, te leren en te zien wat mogelijk was. Na drie maanden ontmoette ik Pieter en ook dit was een bevestiging van de visie en keuze die ik mij had voorgenomen.’

Hoe ontwikkelde de samenwerking met Pieter zich?

‘We begonnen te werken aan een solo waarbij toen al de eerder genoemde zeven noodzakelijkheden werden ontwikkeld. Destijds in 1996 waren we bezig met een tabula rasa in het stuk Bianco waarbij we een nieuwe vorm of taal van communiceren wilden uitvinden. Ook legden we een soort testament vast, een standbeeld van indrukken die je als danser en als mens achterlaat. Daarom geloof ik ook dat dans een cultuur is, een kennisbron.’

Heb je bereikt wat je wilde met de samenwerking en inzet?

‘Veel van onze inkomsten kwamen voorheen uit coproducties en tournees naar het buitenland, zo’n 70 procent. Men wilde graag dat we meer aandacht zouden besteden aan Nederland maar we moesten ook onszelf financieren. Het was een beetje een vicieuze cirkel. Vanaf 2008 krijgen we structurele subsidie voor ICK vanuit het Fonds voor de Podiumkunsten en de gemeente Amsterdam. We vinden dit werk belangrijk, zo belangrijk dat we willen dat andere kunstenaars het werk kunnen voortzetten, ook na Pieter en mij.’

Ondanks de structurele subsidie werk je niet in een dure, moderne dansstudio.

‘Ik vind het belangrijk een ruimte zelf te kunnen inrichten. Er moet een bepaald artistiek gevoel aanwezig zijn. Het gaat ook om de mensen, met een ruimte als dit is het duidelijk voor een danser dat je hier niet bent voor de status. We creëren dans en brengen het vanuit hier naar buiten. De omgeving, buurt en stad, mag gevoeld worden. Het maakt ook dat je weet waar je je bevindt, middenin het Amsterdamse. ICK is bovendien een plek die continu in ontwikkeling is. Het campusgevoel – kantoor en studio op 5 minuten afstand – werkt op dit moment goed voor ons. In de toekomst willen we echter alle activiteiten samenbrengen in een eigen huis, een waar choreografisch kunstencentrum, waar kunstenaars zich kunnen terugtrekken, maar waar de deuren toch wijd open staan.’

Dit interview met Emio Greco vond plaats april, 2012. Inmiddels zijn Emio Greco en Pieter C. Scholten sinds februari 2014 tevens directeuren van het Ballet National de Marseille. In 1996 schreven zij hun artistieke manifest Les sept nécessités. Het dient nog steeds als inspiratiebron voor een gestage ontwikkeling en verdieping van het werk:

1. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat mijn lichaam nieuwsgierig is naar alles en dat ik mijn lichaam ben 2. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat ik niet alleen ben 3. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat ik mijn lichaam kan beheersen en er tegelijkertijd mee kan spelen 4. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat mijn lichaam mij ontglipt 5. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat ik mijn lichaam kan vermenigvuldigen 6. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat u het gezicht moet afwenden 7. Het is noodzakelijk voor mij u te zeggen dat ik u ga verlaten en dat ik u mijn beeld nalaat

Portretfoto Emio Greco: cultura

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*