Interview Hans van Manen choreograaf en dansliefhebber

Hans van Manen. De naam die veel mensen zowel binnen als buiten de danswereld bekend in de oren klinkt. Nienke Wind mocht in 2011 langskomen bij de choreograaf voor een interview. Ze was toen nog studente aan de Nationale Balletacademie. Inmiddels danst ze bij Introdans.

Interview Hans van Manen

Het programma waarmee Het Nationale Ballet momenteel op de planken staat, wordt niet voor niets ‘Hans van Manen, meester van de dans’ genoemd. Een paar dagen voordat het balletgezelschap naar Londen vertrekt om Adagio Hammerklavier, Solo, Trois Gnossiennes, Concertante en Grosse Fuge in het Sadler’s Wells Theatre op te voeren, mocht ik een repetitie bijwonen. De dansers Larissa Lezhnina, Mathieu Gremillet, Seh Yun Kim, Jan Zerer, Sasha Mukhamedov, Wolfgang Tietze, Pascalle Paerel en James Stout dansten het stuk Concertante één keer voluit en balletmeesteres Sonja Marchiolli gaf af en toe een correctie. ‘Nee, Hans wil het niet zo.’ Lezhnina is niet de enige die ik dat heb horen zeggen. Eind juni staat mijn school, de Nationale Balletacademie, in de Stadsschouwburg in Amsterdam met onder andere Black Cake van Hans van Manen. Tijdens de repetities hoor ik vaak hoe Hans van Manen het zou willen. Maar zou de choreograaf het echt zo willen? Ik had de eer om het Van Manen zelf te vragen en heb hem meteen naar zijn tachtigste verjaardag en zijn nieuwe stuk voor Het Nationale Ballet gevraagd.

Als bekend choreograaf zult u al een heleboel interviews hebben gegeven. Heeft u daar weleens genoeg van, of vindt u het niet erg om te doen?

‘Ik geef geen interviews over mijn privé leven en dat soort dingen. Alleen maar als het de dans betreft en dat doe ik dus voor de danskunst. En zodra het over de danskunst gaat zeg ik nooit nee.’

Zit er meestal een achterliggende gedachte achter uw stukken, of gaat het puur om de esthetiek?

‘Op een gegeven moment heb je een datum, en dan moet je een ballet maken. En je wacht zo lang mogelijk met het zoeken van de muziek. Het zal er wel mee te maken hebben dat je zo zeker mogelijk wil zijn. En ik werk sowieso het beste met de rug tegen de muur. Dus zo lang mogelijk uitstellen. Daarna ben je bezig met ‘is het voor orkest, of is het niet voor orkest?’, ‘is het met een band of mag het met piano?’, ‘is het groot of is het klein?’, ‘moeten er veel mensen in of weinig mensen’, ‘heb je tijd, of heb je weinig tijd?’, en als je weinig tijd hebt maak je het kleiner en als je veel tijd hebt maak je het groter. En daar ben je hoofdzakelijk mee bezig.’

U heeft met veel verschillende dansgroepen gewerkt. Maakt het voor u uit of u met een groot of klein dansgezelschap werkt?

‘Ik heb het een keer bij elkaar opgeteld, toen ik in in Zuid-Korea was een jaar geleden, dat ik bij zeventig verschillende gezelschappen in de wereld heb gewerkt. En dat zijn grote en dat zijn kleine. Ik heb hier ook met de kleine groepen gewerkt. Ik heb gewerkt met Dans Theater (Nederlands Dans Theater) en natuurlijk met Het Nationale Ballet en Arnhem (Introdans).’

U werkt al lang met Het Nationale Ballet als vaste choreograaf, dus u heeft daar ook met verschillende artistiek leiders te maken gehad. Hoe is dat u bevallen?

‘Ik heb met Rudi (van Dantzig) gewerkt, met Wayne Eagling en met Ted Brandsen. Ik voel me buitengewoon op mijn gemak als choreograaf – ik haat het woord huischoreograaf, dat wordt dan ook niet meer gebezigd: huisvrouw lijkt het op, of huisdokter -. Dus gewoon als choreograaf, als vaste choreograaf zou je kunnen zeggen. En dat bevalt me prima. Ik heb altijd heel erg goed met mijn directeuren kunnen opschieten. Dat zal er wel ook mee te maken hebben (een schuin lachje volgt) dat ze het gevoel hebben dat ik niet hun afdeling ambieer.’

In oktober 2010 is Without Words in première gegaan bij Het Nationale Ballet. Oorspronkelijk wordt er gezongen op de muziek van Hugo Wolf, maar de zang is bij Without Words weggelaten. Wat is de reden hiervoor?

‘Reinbert de Leeuw belde me op en die zei: ‘Ik heb een schitterende muziek en ik wil onmiddellijk dat je bij me langs komt, dan speel ik je dat voor’. Hij woont hier vlakbij in de buurt, het was op een zondagochtend om elf uur. Ik ging er naar toe en hij speelde mij vier stukken van Hugo Wolf voor op de piano. Hij zei dat het oorspronkelijk door een zangeres gezongen moet worden, de teksten zijn van Goethe. Maar als je de piano compositie zonder de zangeres beluistert, dan hoor je hoe ongelooflijk prachtig het gecomponeerd is. Wij vonden daarom dat we zonder zangeres moesten gaan. Hij heeft me wel op een gegeven moment de teksten gegeven, die heb ik twee keer gelezen en naast me neergelegd. Dat wil zeggen, ik begreep dat de liederen over verlangen gingen en daar gaat dan het stuk ook over.’

Heeft u op het weglaten van zang kritiek gekregen van musici?

‘Ik krijg nooit kritiek, ja eigenlijk alleen maar goede, van musici. Want ik heb mijn leven lang alleen maar fantastische muziek gekozen. Musici vinden dat ik buitengewoon goed naar muziek kan luisteren. Wat ook het geval is want ik heb er hele goede oortjes voor. Daar komt nog bij dat ik geen noot kan lezen dus de oortjes moeten wel gebruikt worden.’

Voor Without Words heeft u weer samengewerkt met Igone de Jongh, eerste soliste bij Het Nationale Ballet en tevens uw muze. Wat maakt haar tot uw muze?

‘Igone de Jongh is een fantastische danseres: ik begrijp haar en zij begrijpt mij en dat is een bijzondere samenwerking. Als ik iets aan haar voor doe geeft zij dat meteen gestalte en daar ben ik altijd buitengewoon tevreden mee. Ik heb er meer gehad natuurlijk (muzes), ik heb er een heel zooitje gehad! Maar er worden altijd alleen dames genoemd en nooit heren en er zijn ook een hele hoop heren bij waar ik altijd mee werk. En hoe je die moet noemen weet ik niet. Van mij mag je ze ook muzen noemen.’

Concertante

Ik heb nooit eerder met u gesproken, maar ik heb begrepen dat u verbaal heel sterk bent. Dans is een taal zonder woorden. Waarom heeft u voor deze taal gekozen?

‘Waarom ik voor de dans gekozen heb? Het enige wat ik er van kan zeggen is dat ik dat absoluut altijd wilde. En waarom ik dat nou wilde weet ik niet precies. Ik weet alleen dat zodra ik muziek hoorde: dan stond ik op en danste. Je moet niet vragen hoe (hartelijke lach). Het was natuurlijk ‘tussen de schuifdeuren’ gedoe. Maar dat is altijd een soort ingeboren liefde van me geweest. Heb ik altijd willen doen. Altijd willen bewegen. Dat weet ik vanaf mijn zevende. Ik weet nog dat ik geen zin meer had in de school. Dat had ook te maken met de oorlog. Toen ik twaalf was, was de oorlog afgelopen, we waren al een jaar niet naar school geweest. Mijn moeder had een vriendin die bij Michels werkte, de toneelkapper. Daar kon ik een baan krijgen. Mijn moeder dacht, nou ja dan zit hij dicht bij het toneel en dan kan hij wel overstappen. Dat is gebeurd op mijn achttiende en dat is eigenlijk vrij laat om te gaan dansen. Maar er was in die tijd een enorm gebrek aan jongens die wilden dansen, dus je werd al gauw aangenomen. Ik had wel een heel goed stel hersens voor de dans. Dat wil niet zeggen dat ik een prins was. Maar ik had de boel al behoorlijk snel door. En ik had een voordeel: dat ik enorm draaitalent had.

Ik heb het geschopt tot eerste solist bij het Opera Ballet. Zover ben ik dan wel gekomen. En ik ben al heel snel gaan choreograferen, want dat was blijkbaar toch mijn grote liefde. Dat heb ik sinds 1956 gedaan en ben er sindsdien nooit mee opgehouden. Het zijn 150 balletten die ik gemaakt heb. Alle dingen die ik tussendoor gemaakt heb en nooit worden vermeld erbij opgeteld.’

U werkt veel samen met Keso Dekker voor de kostumering. Hoe verloopt de samenwerking Hans van Manen-Keso Dekker als u een nieuw stuk maakt?

‘Ik ben begonnen te werken met Nicolaas Wijnberg, met Jan van der Wal, en erg veel en erg belangrijk met Jean-Paul Vroom. Daarna met Keso Dekker en daar werk ik nu al zeker 25 jaar mee. Maar dat is fantastisch want we begrijpen elkaar zo goed en we passen zo goed bij elkaar. Hij is ook van de eenvoud, net als ik. En hij is ook tegen decorativiteit en wat dat betreft ben ik daar ook tegen: (op bedeesde toon) – ik bak geen taarten -. Behalve de zwarte dan: het ballet Black Cake.

Op een gegeven moment kan ik hem vertellen wat ik wil: met hoeveel dansers ik werk, wat de muziek is en wat voor idee ik ongeveer heb. Keso gaat er altijd van uit dat het toneel leeg moet zijn. Dat vind ik van groot belang, ik werk nooit met set-stukken. Alleen met een stuk uit 1968 in decor van Bob Bonies heb ik dat gedaan. Keso maakt altijd een prachtige ‘environment’ voor me en zorgt dat ik een heel toneel voor mijzelf heb. Hij maakt prachtige kostuums en heeft veel invloed internationaal met zijn ontwerpen.’

In 2007 heb ik meegedanst in uw werk Unisono en nu zijn we op school bezig met het instuderen van Black Cake. De stukken worden door docenten en assistenten ingestudeerd. Vindt u het niet moeilijk om uw stuk uit handen te geven om het vervolgens misschien een beetje anders dan het origineel terug te zien?

‘Je zal wel moeten. Als je dood bent hoe gaat het dan als een stuk gedanst moet worden? Maar nee, het wordt ingestudeerd door mensen die het zelf gedanst hebben. Dat is een groot verschil: die weten precies wat de bedoeling was. Mea Venema is mijn vaste assistente die erg goed weet wat ik wil. Die weet veel meer dan de passen en hoe de passen technisch gedaan moeten worden. Er is nu niemand bij Het Nationale Ballet die Grosse Fuge heeft gedaan omdat het gezelschap is vernieuwd. Het zijn allemaal prachtige dansers waar ik ongelooflijk tevreden mee ben maar die moeten wel even wennen dat het stuk in de grond gedanst moet worden. Ik ben buitengewoon gesteld in de dans op de zwaartekracht. Men denkt altijd dat zodra er spitzen aan te pas komen dat de zwaartekracht niet meer geldt. Maar dat is natuurlijk onzin, want als de zwaartekracht niet meer zou gelden dan is er van balans of evenwicht al geen sprake meer. Als mensen denken dat je op spitzen moet zweven dan moet ik daar altijd zo vreselijk om lachen. Als je een piqué arabesque doet dan moet je echt in de grond staan want anders ben je nergens.

Ik ben erg gehecht aan zwaartekracht omdat het een enorme belangrijkheid geeft aan het dansen en je dan precies weet wat je doet en waar je staat en waarom je het doet. En anders zweef je er maar tussendoor. Als je de passen gewicht wil geven: (maakt een slap armgebaar) kijk zo, dan kom je nergens. Ik denk dat interpretatie met gewicht te maken heeft. Je hebt van die dansers, die kunnen technisch alles maar waarbij weinig te zien is van interpretatie. Als je zegt: kijk brand! (Hans kijkt opzij, wijst opzij en spreekt). Dan heb je dansers die zeggen: kijk brand! (Hans spreekt eerst, kijkt opzij, en wijst dan opzij). Die hebben nog nooit van Stanislavski gehoord (een van de grootste theoretici van het 20ste-eeuwse toneel). Het is altijd actie, en dan reactie. Als je dat goed begrijpt, dan kan je een heel eind komen.’

Uw stuk Black Cake is niet zomaar een dansstuk, het is eigenlijk een soort feestje. Evenals bij feestjes soms het geval is, worden de dansers aan het einde van het stuk dronken. Wilde u hiermee iets zeggen over de danswereld?

‘Helemaal niet. Het was zo: Dans Theater bestond 30 jaar en Jiri (Kylián) zei tegen mij: ‘jij maakt het ballet voor het 30-jarig bestaan’. En toen zei ik, ‘echt?’. ‘Wat moet ik dan maken?’. Toen zei hij, ‘een taart.’ En dat vond ik zo verschrikkelijk leuk dat hij dat zei. Ik mocht een dansstuk maken zonder grote betekenis. Gewoon een stuk op de dansers zoals Petipa die maakte. Toen dacht ik aan een black cake, een zwarte taart, en dat vond Keso ook erg leuk: dan doen we alles in het zwart. Het moest een feestelijk stuk zijn en ik had een aantal pas de deux in mijn hoofd. Het leek me leuk om voor die zes paren een dansant stuk te maken. Ik vind alle vormen van dans interessant, ballroom ook, en zeker als je er een interpretatie van kan maken. Het moest dus een bal worden, maar het was niet zo’n makkelijk stuk hoor. Het moet heel goed unisono, gelijkmatig gedanst worden en ik wilde het op hoge hakken. Ik wilde een variatie maken op de ballroom maar dan in de vorm zoals Balanchine of Petipa die zou hebben gemaakt. Aan het einde, ik dacht: het is toch een feestje, moest er champagne aan te pas komen. Het stuk muziek wat daarvoor gebruikt werd is natuurlijk uittentreuren kapot gespeeld. Ik wilde er een parodie op maken, er werd uiteindelijk naar de zaal geheven en dat was ook de bedoeling ervan.

Het stuk had op de première totaal geen succes! Na afloop was er een grote party op het toneel en iedereen deed alsof ik niet bestond. We kwamen op het toneel en er stonden zo’n 250 mensen en Henk, mijn partner, en ik liepen er door en het was net alsof we door de Rode Zee liepen. Ik zei tegen Henk, we lopen nu meteen door, we stappen in de auto en gaan naar huis. Er stond toen ook een kritiek in een toenmalig dansblad dat ‘Van Manen beter in het moeras kon zinken en mocht hij met kroos boven komen dan zouden we het wel zien’. Anderhalf jaar later zei Jiri voor de opening van het Holland Festival, ‘we doen Black Cake weer’. Ik zei, ‘echt?’. ‘Ja’, zei hij, ‘dat doen wij’. Ik ben hem mijn leven lang dankbaar geweest. Vanaf dat moment was het een groot succes en het is zelfs voorgekomen dat critici zeiden dat ze zich vergist hadden. Men vond blijkbaar dat je een ballet moest maken waarin je 30 jaar Danstheater terug zou zien. Dat had ik bij het twintigjarig jubileum gedaan en dat was ook geen succes! Het is gelukkig allemaal goed gekomen. Ik heb het stuk ondertussen 15 keer in de wereld ingestudeerd, voor iedereen die een feest of iets te vieren heeft.

Ik kan me ook storen aan recensies in Het Parool van de laatste vijf balletten die ik gemaakt heb. Als er staat dat het prachtige achterdoek dat beweegt in Adagio Hammerklavier, dat het lijkt op beddengoed uit de vijftiger jaren. Dan denk ik, mens wat ben je toch ongelooflijk dom. Als je alleen al zou bedenken dat mijn balletten aan de muur zouden kunnen hangen, dan was ik op dit moment multi-miljonair geweest. Maar helaas kunnen balletten niet aan de muur hangen…’

Adagio Hammerklavier

Het Nationale Ballet zal volgend jaar een speciaal Hans van Manen-programma opvoeren ter ere van uw 80ste verjaardag 11 juli 2012. Verandert er iets nu u deze leeftijd zult bereiken?

‘Ik ben daar totaal niet mee bezig, dat moet je aan een ander overlaten. Ted Brandsen heeft het fantastisch gedaan met mijn vijfenzeventigste verjaardag, dat vind ik iemand die erg goed is. Niet alleen wat mij betreft maar ook wat betreft Het Nationale Ballet. Ik merk het wel, ik heb gewoon vertrouwen in hem.’

Dansers kunnen alleen bij uitzondering tot hoge leeftijd door dansen. U bewijst dat dit niet het geval is bij choreografen. Denkt u dat het choreografieberoep op een bepaald moment ten einde komt?

‘Bij je dood, lijkt me zo. Of je zit in een rolstoel. Je hoeft je nooit zorgen te maken over hoe je dingen voor doet. Dansers zijn buitengewone wezens, die hebben aan erg weinig genoeg. Je kunt als je muzikaal of ritmisch bent het heel klein voordoen. Dan is er niets aan de hand. Zeker niet als je dansers kiest waarvan je weet dat ze je volkomen zullen begrijpen. Vroeger deed ik alles geweldig voor. Dat doe ik niet meer (lachend). Na drie dagen kon ik dan niet meer lopen van de spierpijn. Dat is er nu niet meer bij. Hoewel, nog een beetje. De trap op gaat, maar de trap af? Dat deden we vroeger achterstevoren. Je spant je dijen en je kuiten zo op een totaal andere manier. Dan blijf je namelijk in plié. Zo kom je achter de dingen om door te kunnen gaan.’

Voor volgend jaar februari/maart zult u een nieuwe choreografie maken voor Het Nationale Ballet. Bent u meestal ruim op tijd klaar met het stuk, of komt u weleens in de knel met deadlines?

‘Er is me gevraagd of het klein kan worden. Dat vind ik altijd erg leuk want klein is moeilijker dan groot. Bij klein moet er dramaturgie in weinig minuten plaatsvinden. En ik vind dramaturgie het meest belangrijk in de choreografie. Dat betekent dat je weet hoe je begint en hoe je moet eindigen en dat je weet waarom het moet eindigen. Het moet logisch verlopen, het een in het ander; dat is dramaturgie. In veel balletten die ik zie, mankeert daar nogal wat aan. Ik begrijp nooit waarom iets plotseling eindigt. In alle kunstvormen hoort sprake te zijn van dramaturgie. Alle pas de deux die ik gemaakt heb noem ik dan ook korte balletten voor twee mensen. Er moet sprake van zijn dat het logisch verloopt.

Over het stuk in februari hoef ik nog lang niet na te denken. Je kunt jezelf nooit tegenhouden dat je dit toch doet. Alleen al door ‘nee’ te zeggen bij bepaalde muziek denk je er over na. Alleen dat nee al, het is heel belangrijk dat je dat weet. Daarna op zoek naar muziek waarvan je denkt, ‘ja!’ En als het ‘ja’ is, dan begin je goed na te denken. Vrienden van me komen weleens een leuk stukje muziek aandragen, waarvan ik onmiddellijk denk, ‘ja’. Muziek waarvan je tevoren niet wist dat je die zou kiezen. Ik heb weleens in bad gelegen en toen dacht ik: dat is het! Ik weet nog van een stuk muziek voor The Old Man and Me, dat had een heel lange intro. En ik moest beginnen met Sabine (Kupferberg) en Gérard (Lemaitre), ik wilde ze op een bankje hebben. Ik zei tegen ze, ‘het eerste stukje duurt 1 minuut. Ik wil dat je op dat bankje zit, voor je uitkijkt en 1 minuut niet beweegt’. Wat was die minuut lang zeg! En ze deden het meteen alle twee fantastisch. En toen begonnen we toch te lachen! Perfect. Sommige dingen weet je van te voren. Maar je weet niet waarom je het weet. Als je dat wist dan zou je ook weten hoe je successen zou moeten maken. En als je dat zou weten, dan schrijf je gewoon een boekje over ‘hoe maak ik een succes’. Dat bestaat dus niet.

Een risico nemen, dat vind ik het meest belangrijke dat er is. Dat geldt ook voor dansers en danseressen. Altijd risico nemen! Ik hou van dansers die risico nemen en niet bang zijn om fouten te maken of om zich te vergissen. Je had dansers die zo geweldig goed dansten maar alles terughielden en alleen maar voorzichtig waren. Dan gebeurt er niks! Fouten maken of je vergissen, het maakt niet uit. Risico. Het komt ook voor dat dansers fouten maken en dat ik zeg ‘maak alsjeblieft die fout nog een keer want die was geweldig’. En dat kan alleen als je risico neemt. Gewoon gaan. Niet bang zijn. Bange dansers of danseressen, daar heb je niets aan.’

U heeft ontzettend veel stukken gemaakt, dus het zal vast een moeilijke vraag zijn. Maar heeft u een bepaald stuk of meerdere stukken waar u echt heel trots op bent?

‘Nee, helemaal niet. Er wordt altijd naar mijn lievelingsballetten gevraagd. Ik zou niet weten welke dat zijn en dat is geen ijdelheid. Van ieder nieuw ballet weet je best of ze goed of niet goed zijn. Maar je blijft maar kritisch kijken. Dat vind ik wel vervelend. Er zijn ook balletten bij waarvan ik geen pas meer wil veranderen. Daar ben ik eigenlijk het allerblijst mee. Want het is wel voorgekomen, bij zeer succesvolle balletten, dat er dingen in zaten waar ik nooit tevreden mee was. Die heb ik ook altijd geprobeerd te veranderen; het is nooit gelukt. Iedere keer dat ik het probeerde, dacht ik, nee laat het maar zoals het was. Op een gegeven moment vergeet je het en houd je daar mee op.

Er zijn wel balletten bij geweest die zeg maar behoorlijk ‘uit de mouw schuddend’ waren. Ik weet ook van balletten met stukjes waar ik buitengewoon gelukkig mee was. Ik ben er nooit op uit, met iets, om te kijken wat mensen er van vinden. Ik choreografeer, ik bedenk nooit iets thuis. Alles gaat in de studio. Alles gaat via improvisatie. Je hebt weleens dat je denkt, misschien is dat een leuke combinatie. En dan ben je de volgende dag in de studio en dan ben je vergeten dat je die had. Ik had weleens een briefje neergelegd en dan was ik klaar met de choreografie en dan zag ik dat briefje en dacht ik, vergeten! Want als je bezig bent gaan de dingen anders. Ik zal nooit passen thuis verzinnen om de doodeenvoudige reden dat ik dansers nooit beschouwd heb als robots. Niet dat zij alleen maar uitvoeren wat jij bedenkt, het gebeurt gewoon allemaal in de studio en dat doe je met elkaar. Ik begrijp wel goed dat ik dingen moet maken, en zij moeten het dansen.

Ik hou vooral van danseressen die met me praten. Straks krijg ik een groot interview over Nureyev. Iemand als Nureyev vind ik een buitengewoon leuk en geweldig iemand. Was hij lastig? Hij vroeg over dingen: moet het zo of kan het zo? Nee?, nou dan niet. Fiona (Lummis) was ook een geweldige meid. Dan had ik iets voor haar gemaakt en dan merkte ze dat ik niet helemaal tevreden was. Maar dat kwam niet door haar maar door mij. En dan zei ze: ‘zeg, mag ik alsjeblieft twee dagen hebben?’, ‘zeg nou niks en laat mij het gewoon twee dagen doen’. En na twee dagen was het fan-tas-tisch. Kijk, dat is discussie. Geen enkel bezwaar tegen.

Ik ga altijd verder. Iedere dag eerst doorloop en dan verder. Want dan weet ik wat ik gedaan heb en kan ik verder. Als ik klaar ben is het eigenlijk al helemaal gerepeteerd. Ik ken choreografen die werken altijd maar door, en nooit een doorloop, en dan doen ze eindelijk na drie weken een doorloop en is iedereen bijna alles vergeten. Met de grootste moeite komt het dan weer terug. En dat vind ik zonde. Want als je iedere dag een doorloop doet met ze, dan weten zij ook wat ze moeten doen en hoe ze het kunnen vervolmaken. Nou, laat dat maar aan dansers over hoor. Daar hoef ik mij geen zorgen over te maken. En als er toch iets is wat niet lekker zit dan weet je ook hoe je het moet veranderen. Of dansers die zeggen, kijk we doen het zo en dan zo, dan zeg ik ‘oh, dank je wel. Dank je wel’. Dus er zit ook een lui iemand in mij (lacht).

Ik heb nooit problemen gehad met danseressen. Ook niet met dansers. Clint (Farha) had ooit een (ballet)schoen naar mijn hoofd gegooid en die heb ik meteen eruit gezet. Dat werd me toch te gortig. Na de anderhalf jaar lang dat ik hem niet heb gebruikt begreep hij wel dat hij een stap terug moest doen en kwam bij me terug. En toen heb ik die solo voor hem gemaakt in Vijf Tango’s en dat was het grootste succes dat hij ooit gehad heeft. Dat kon allemaal.’

De telefoon gaat en Brigitte Martin (balletmeester) is aan de lijn. Hans van Manen is zeer lovend over de dansers waar ze mee werkt en bemoedigt haar zich geen zorgen te maken. Een praktisch bewijs van de liefde voor dans en (dans)mensen die deze meester van de dans kenmerkt.

mei 2011

Danspubliek dankt in het bijzonder Hans van Manen, de Nationale Balletacademie voor de samenwerking met Nienke Wind en Het Nationale Ballet voor het gebruik van foto’s en bezichtigen van een repetitie van Concertante van Hans van Manen.

In april 2016 is het programma Hans van Manen Gold te zien bij Het Nationale Ballet. Bekijk de speellijst

Tip: lees ook het interview met Hans van Manen en Roel Voorintholt voordat Hans van Manen 80 jaar werd. 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*