Interview met Flemming Ryberg, Bournonville balletmeester

Zijn eerste leraar was Erik Bruhn, daarna Hans Brenaa, en Stanley Williams en Vera Volkova. Balletmeester Flemming Ryberg vertelt over de oorsprong van Bournonville, over het belang van Vaganova en over lesgeven in het algemeen.

Over Flemming Ryberg

Flemming Ryberg was een van de grote Bournonville dansers van de zestiger en zeventiger jaren uit de 20ste eeuw. Als typisch Deense danser combineerde hij virtuositeit met gevoel voor mimiek en was hij hierin toonaangevend. Ryberg is gedreven in het bewaren van de Deense danserfenis. Tezamen met Bruce Marks en Toni Landers reconstrueerde hij het ballet Abdallah van Auguste Bournonville aan de hand van een oud script. Flemming Ryberg is een klassiek voorbeeld van de oude school van Deense dansers die het bedrijf dienden van kinds af aan tot op hoge leeftijd. Danspubliek ontmoette hem op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en vroeg hem naar de betekenis van Bournonville.

U wordt wel gezien als een exponent van de Bournonville-stijl. Kunt u dit toelichten?

‘Wanneer iemand 58 jaar bij het Koninklijk Deens Ballet heeft gedanst, kun je wel zeggen dat die een expert is geworden in de stijl. De Bournonville-stijl is van oorsprong een Franse stijl. Antoine Bournonville was een danser uit Frankrijk die naar Zweden kwam toen koning Gustav III erg ‘Frans-geïnspireerd’ was. Antoine danste er een tijd en verhuisde toen naar Kopenhagen, waar hij zijn vrouw ontmoette en kinderen kreeg. Een daarvan was August Bournonville. Antoine bleef aan als een van de belangrijkste dansers in het theater en werd balletdirecteur. Auguste trad toe tot de balletschool toen hij negen was. Hij werd ook danser en werd natuurlijk beïnvloed door de Franse stijl van zijn vader. August Bournonville ging vervolgens zelf naar Parijs om lessen te nemen bij de leraren van zijn vader, onder wie de beroemde Vestris.’

August Bournonville

August Bournonville

‘De Franse stijl betekent lage armen en ogen die de voet volgen. Lodewijk XIV volgde ook met zijn ogen de voet als om deze te presenteren: je kijkt voordat je handelt. Het moet charmant zijn en elegant. Je wilt mensen laten zien hoe je de dingen doet. Dit betekent dat je je handen opent wanneer je een gebaar maakt. Het is alsof je zegt – waarom? – wanneer je je handen openvouwt. Hetzelfde doe je bij het springen. En heel belangrijk bij de Bournonville stijl is de ‘épaulement’. Dit betekent het gebruik van je schouders: het licht en de schaduw in het lichaam laten zien zodat het veel interessanter wordt. Ook het kijken onder de arm (Flemming steekt zijn hand boven zijn hoofd uit en kijkt er onderdoor), dat is wat wij noemen de Romantische stijl. De dames hebben zachte handen en alle mannen hebben de armen fraai naar beneden. Dit kan teruggevoerd worden op de dansen aan het Franse hof.’

Bournonville is dus van oorsprong een Franse stijl. Zijn beide stijlen nog hetzelfde of zijn ze elk een eigen kant op gegaan?

‘De Fransen hebben nu geen stijl! Zij hebben de Russische stijl overgenomen. Die werd oorspronkelijk weer beïnvloed door Marius Petipa, de balletmeester afkomstig uit Frankrijk. Later werd meer van de Italiaanse stijl overgenomen, die meer bravoure kent. Bournonville ontmoette Petipa rond 1869 in St. Petersburg waar hij een ballet van hem zag. Hij vond het echter te gymnastisch.’

Eigenlijk stelt u dat Bournonville de ongewijzigde oorspronkelijke Franse stijl is. Hoe komt het dat de Denen deze hebben weten te bewaren en de Fransen ervan zijn afgeweken?

‘Er was een jongeman op de school, die een solo maakte bij het gezelschap, twee dagen voor Bournonville stierf. Zijn naam was Hans Beck. Hij was erg begaan met de Bournonville-stijl en werd de nieuwe directeur. Hij schreef alle passen op die hij had geleerd en waarvoor hij navraag deed bij de oudere dansers. Hij ontwikkelde een lessysteem van maandag tot en met zaterdag met een barre en 24 oefeningen in elke les: tendu’s, pirouettes, enchainements en grote oefeningen. Hij bewaarde het bewegingsmateriaal op die manier. Ook de vijftig balletten die Bournonville gemaakt heeft werden intact gehouden, waarvan er vandaag de dag ongeveer 10 over zijn gebleven. Bournonville’s kleine pasjes zijn voor het oog zo gemakkelijk en licht om te zien. Alle docenten in de tijd van Bournonville speelden overigens op een klein viooltje tijdens het onderwijzen van de passen. Pas in 1920 deed de piano haar intrede in de balletles.’

Ballet en mime

‘Bournonville was een geweldige verhalenverteller en mime was erg belangrijk. Dit hield in dat een ballet bestond uit twee actes met mime en de derde acte was dansen. Bournonville legde drama in de gebaren en de mensen begrepen het. Daarom hebben we ook veel lessen in mime in Denemarken, meer dan bij elk ander balletgezelschap. Dans en mime vormen een symbiose. De manier waarop je staat bijvoorbeeld moet een natuurlijke houding zijn. Je hoeft niet uitgedraaid te staan als een balletdanser als je op het podium staat. Je moet gewoon op beide voeten staan en je gewicht verplaatsen. Het is kunst als je op een natuurlijke manier mime kunt uitoefenen. Mensen in het publiek moeten als het ware op het podium willen komen om het zelf te doen. Dat was het idee erachter. Bournonville’s kleine pasjes zijn voor het oog zo gemakkelijk en licht om te zien.’

Drama van La Sylphide

‘La Sylphide komt uit Frankrijk, waar Marie Taglioni het danste in 1832. Bournonville zag het in 1834 en wilde de partituur van Schneitzhoeffer, maar hij kon het zich niet veroorloven deze te kopen. Hij vroeg een jonge Deense componist – Herman Lovenskiold – om de muziek te maken en Bournonville gebruikte het hetzelfde verhaal, maar met zijn passen. In Frankrijk werd destijds gas gebruikt voor de theaterbelichting en de sylph kwam te dichtbij en ze verbrandde. Daarop werd besloten het ballet nooit meer op te voeren in Parijs. Onze La Sylphide is generaties lang doorgegeven: de oudere dansers leerden het steeds aan de jongere. Daarom hebben we ’s werelds oudste ballet – gemaakt in 1786 door Vincenzo Galeotti – De Grillen van Cupido en de Balletmeester. Het wordt vandaag de dag nog steeds opgevoerd in Denemarken.’

Ballet en de monarchie

‘We hebben in Denemarken de oudste monarchie ter wereld en die heeft altijd het ballet gesteund. In het contract van Auguste Bournonville werd bepaald dat hij de prins en prinsessen moest lesgeven. Het is hiermee een traditie geworden om het koningshuis te onderwijzen in dans. Onze koningin Margrethe doet elke week nog netjes een Bournonville-les; ze is nu 71 jaar oud.’

Wat is de reden van uw bezoek aan Nederland?

Abdallah door De Dutch Don't Dance Division

Abdallah door De Dutch Don’t Dance Division

‘Ik ben hier om te werken aan het oude Bournonville ballet Abdallah uit 1855. Vroeger waren mensen niet in staat veel naar het buitenland te reizen. Men bracht daarom verhalen uit de Oriënt en andere buitenlandse verhalen naar de theaters in Denemarken. We hebben bijvoorbeeld het ballet Kermesse in Bruges, waar ze in België waarschijnlijk nog nooit van hebben gehoord.’

‘Thom Stuart en Rinus Sprong, van De Dutch Don’t Dance Division, zagen Abdallah in Kopenhagen in 2005 en ze vonden het prachtig. Ze maakten er een eigen choreografie op, maar gebruikten de originele muziek van Pauli die ook muziek voor het oude ballet Napoli heeft geschreven. Ik ben hier om voornamelijk aan de Bournonville-pas de deux te werken in de derde akte. Er zitten daarin zeer goede dansers van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag die het heel mooi dansen. Ik geef les aan de dansvakopleiding van het Koninklijk Conservatorium, net als vorig jaar, toen ik voor de eerste keer aan deze productie van Abdallah werkte.’

Op welke manier heeft de Russische Vaganova-lerares Vera Volkova invloed gehad op de Bournonville stijl?

‘Op een goede manier. Ze wilde niet dat wij de Bournonville-stijl zouden veranderen. Ze gaf ons de Vaganova-methode die we konden gebruiken voor de nieuwe balletten bij ons gezelschap. In Balanchine’s werken, in John Cranko’s werken, Frederick Ashton’s en zelfs in Jerome Robbins zijn werken. Vera Volkova hield het gezelschap bij elkaar door middel van de stijl. Natuurlijk moet je een andere stijl aannemen in een choreografie. Maar de algemene technische stijl moet hetzelfde blijven. Een goede pedagoog houdt de stijl intact. Misschien is daarom de beroemde danser Nureyev, toen hij defecteerde van Rusland, naar Volkova gekomen om bij haar te studeren.’

‘Vera Volkova was een erg vriendelijke pedagoog. Ze zou zeggen: je moet je armen zo houden. Of doe dit, het is beter voor je lichaam. Ze legde uit wat de juiste manier was. Met de dialoog krijg je een goede danser. Het is best saai om steeds alle oefeningen en barres te doen. Wanneer je doorkrijgt hoe te werken, dan wordt het interessant. Pas toen ik 25 jaar oud was begon ik te denken dat het interessant was om de barre te doen. Iedereen moet dit voor zichzelf zien uit te vinden: je moet je hersenen gebruiken.’

U heeft zelf ook gedanst in verschillende stijlen?

‘Ja, ik danste bijvoorbeeld in Silk and Knife van Jiří Kylián toen ik 67 jaar oud was. Kylián kwam en maakte twee pas de deux, een voor een jong koppel en een voor een oud koppel. Het was prachtig, ook al was onze pas de deux slechts twee of drie minuten lang. Kylián was magnifiek om mee te werken. Het was overigens meer acteren dan dansen, en het ging meer over passie dan over passen.’

Eeuwen geleden hadden balletmeesters veel invloed op elkaars methoden. Komt dit in meer recente tijden ook voor?

‘Ja, George Balanchine werkte bijvoorbeeld in Denemarken in 1930 en 1931. De artistieke leiding vond Balanchine te modern hield echter niet van zijn balletten: ze vonden het te modern. Dus bleef hij slechts twee jaar en vertrok naar Amerika. Balanchine was niet een groot pedagoog: mensen kwamen niet graag naar zijn lessen. Hij gebruikte lessen voornamelijk om nieuwe passen voor zijn balletten uit te proberen. Ik weet dat alle kleine pasjes die Balanchine gebruikte in zijn balletten direct afkomstig zijn uit Bournonville. Hij was erg geïnspireerd door de Bournonville passen. En verliefd op enkele van de meisjes.’

Tot slot: wat maakt iemand tot een goede leraar?

‘Hij of zij moet beschikken over een goede achtergrond in ballet. En voor mij betekent het veel als hij een goede ervaring heeft met optreden voor een publiek. Dus hij moet zelf danser zijn geweest. Het is belangrijk dat je dingen kunt laten zien zoals het bedoeld is voor op het podium. Een goed begrip hebben van de studenten en hun problemen is belangrijk: begrijpen hoe ze trachten beter te worden. Niet te hard duwen, maar in de juiste richting begeleiden. Als ik slecht zou zijn behandeld als leerling en te hard zou zijn aangepakt, zou ik niet zijn gaan dansen. Maar natuurlijk zou ik ook luisteren naar de docenten en doen wat ze vragen.’


Credits

Dit interview is afgenomen in 2011. Danspubliek dankt de dansvakopleiding van het Koninklijk Conservatorium voor het mogelijk maken van dit interview en De Dutch Don’t Dance Division voor het organiseren van het interview.


Misschien ook interessant?